Vervolgonderzoek flora en fauna »

Nader onderzoek flora en fauna

Afhankelijk van de conclusies van het inventariserend onderzoek kan een vervolgonderzoek flora en fauna noodzakelijk zijn. Bijvoorbeeld om verblijfplaatsen van vogels of vleermuizen in te slopen gebouwen te lokaliseren. Hierbij wordt tevens de functie van een verblijfplaats vastgesteld. Op basis daarvan kan een migratieplan worden opgesteld en uitgevoerd, zoals het in de omgeving ophangen van alternatieve verblijfplaatsen.

Optimale onderzoeksperiode

Of en hoe snel een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd kan worden, hangt mede af van de periode waarin de onderzoeksvraag speelt. Zo is er bij iedere diersoort sprake van een optimale onderzoeksperiode, het broedseizoen en de kraamperiode vallen hier bijvoorbeeld onder. Wanneer deze perioden spelen, kan per soort verschillen. Daarnaast zijn er ook perioden waarin onderzoek mogelijk is, maar iets meer tijd kan vergen dan in de optimale periode.

Bekijk hier de optimale onderzoeksperiode voor nader onderzoek.

Tot de diersoorten waarnaar regelmatig nader onderzoek plaatsvindt behoren o.a. de vleermuis, huismus, gierzwaluw, steenuil en de rugstreeppad. Ook voor een vervolgonderzoek flora en fauna naar andere planten en dieren kunt u bij Tritium Advies terecht.

Deze diersoorten komen vaker voor in nader onderzoek

Vleermuizen

Bevat een te slopen of renoveren gebouw veel spouwmuren, kieren of gaten? Dan kan nader onderzoek naar een mogelijke verblijfplaats van vleermuizen noodzakelijk zijn. Vleermuizen trekken rond tussen meerdere verblijven, waaronder een zomer- en winterverblijf en een kraamkamer. Nader onderzoek vindt plaats door observatie, bij zonsondergang om het uitvliegen (foerageren) te observeren en tegen 5.00 uur ’s ochtends als de kolonie de verblijfplaats weer invliegt. In augustus en september zijn de meeste verblijven van de vleermuis te vinden, maar ook in de rest van het jaar (met uitzondering van maart en november) kan onderzoek naar vleermuizen worden uitgevoerd.

Huismus

Deze beschermde vogel huist vaak onder dakpannen (meestal in de eerste twee rijen boven de goot) of in scheuren van muren. De meest ideale onderzoeksperiode voor het observeren van de huismus loopt van begin april tot halverwege mei. In die weken is twee keer observeren voldoende. In de perioden daarbuiten van 10 maart tot 20 juni , schrijft het onderzoeksprotocol vier keer observeren voor.

Steenuil

De steenuil is vaker te vinden in het buitengebied en bouwt haar nest graag in oude schuurtjes of boerderijen. De beste periode voor nader onderzoek naar de steenuil loopt van half februari tot en met half april.

Rugstreeppad

Deze beschermde pad komt vaker voor op bouwterreinen die langere periode braak liggen. Zodra er tussen de zandhopen kleine waterpoelen ontstaan, kan de rugstreeppad hierin haar eitjes leggen en het terrein gaan bewonen. De meest geschikte perioden voor onderzoek naar de rugstreeppad zijn half april tot eind mei en half juni tot eind juli. De rugstreeppad laat zich het beste observeren op broeierige avonden na een flinke regenbui.

Gierzwaluw

De gierzwaluw is maar drie maanden per jaar in Nederland, van half april tot eind juli/ begin augustus. In die periode maakt de gierzwaluw haar nest en broedt ze twee tot drie eieren uit. Nesten worden bij voorkeur gemaakt in holtes in gebouwen. De gierzwaluw is het beste te spotten bij droog weer, net na zonsondergang. Omdat de gierzwaluw zich 99% van de tijd in de lucht bevindt, is het kiezen van het juiste observatiemoment zeer belangrijk.

Vervolgonderzoek flora en fauna laten uitvoeren?

Of heeft u een ander ecologisch vraagstuk wat u graag voorlegt? Neem dan contact op met ons ecologisch team via het telefoonnummer: 088- 440 2900 of vraag direct een offerte aan.

Contact

Ecoloog flora en fauna onderzoeker

Anne Paulusse

Projectleider Ecologie

Online offerte aanvragen

Vraag nu aan!